Welkom, bruisende brandingen & ingelijste insecten, bij een nieuwe EKRITUUR. Na de vorige aflevering, waarin ik probeerde uit te drukken waarom ik schrijf, en hoe serieus ik dat neem (iedereen bedankt voor de leuke reacties, overigens), is het nu weer eens tijd voor een korte biografie van een buitengewoon individu: de Amerikaanse playboy Henry Rascolcilly, die rond zijn dertigste zijn leven radicaal moest omgooien. Veel plezier met lezen!
Als je nieuw bent bij EKRITUUR: welkom! Struin voor eerdere edities rustig door het Archief, of kijk bij de Aanbevelingen welke boeken, films, albums, etc. ik besproken heb.
• Een man verkort: het leven van Henry S.I. Rascolcilly (1910-1960)
We zullen niet alles gesloopt hebben
tot we ook de ruïnes hebben afgebroken.
—Alfred Jarry, Ubu enchaîné (1899)
De wereld, de aarde die wij met onze zwakke lijven moeten beklimmen (grijp de rots daar boven je met je bebloede hand, je zachte palmvlees bekrast met littekens, niemand blijft deze tocht bespaard)—Deze wereld heeft niet voor iedereen dezelfde proporties. Zo zijn er bijvoorbeeld mensen die alle ingemuurde ruimtes als keurslijven zien, een dwangbuis is elk geplafond vertrek: ja, voor sommigen verlicht zelfs slapen in de open lucht nauwelijks deze claustrofobie, deze hoogtevrees van de ziel, en iedere ruimte is een cel met gecapitonneerde muren. (Slaapkamer keuken kinderkamer woonkamer, geen uitweg, de driezitsbank naar de televisie gericht onderzetters voor meer glazen dan er ooit gasten zijn op de vensterbank staan twee witte vazen heel symmetrisch met langgesteelde bloemen exact dezelfde kant op gebogen het lijkt wel een crematorium aan de muur hangt naast een grote ingelijste foto van een zonsondergang op het strand een reusachtig schilderij van het rottende hoofd van een eland of een kameel.)
Anderen, op hun beurt, kunnen zich juist nooit verenigen met de uitgestrektheid van het heelal en hebben het gevoel dat hun omgeving nooit overeenstemt met die van anderen: hoeken zijn te dichtbij, de ramen te ver weg, waarom is vloer zo… zwaar? Ze dragen strakke kleren en laten hun schouders hangen, het gewicht van het Al is te veel, ze durven niet omhoog of naar binnen te kijken.
Voor Henry S.I. Rascolcilly* begonnen de problemen rond zijn dertigste. Waar hij eerst altijd zorgeloos bestond en niet over de proporties van de wereld nadacht, en als hij er toch over nadacht concludeerde hij dat de wereld precies samenviel met zijn waarneming daarvan, werd zijn leven nu ineens gedicteerd door een allesomvattende, ja, een absolute dissonantie. Had hij een tropische ziekte opgelopen, hier in de noordoostelijke VS? Was het een psychisch defect, wellicht veroorzaakt door oorlogsangst, zo pregnant in de cultuur aanwezig nu Europa in vuur wegzonk en de Amerikanen hun breinen en grenzen sloten en deden alsof het ze niet aanging? Hij wist het niet, dokters konden het niet verklaren.
Vooral ‘s nachts was deze fysieke dissonantie onverdraaglijk. Als hij in bed lag voelde hij dat zijn denkwezen, zijn meind, niet meer was dan een eenzame mier in het vliegdekschip van zijn lichaam. Als hij zijn ogen sloot en zijn meind liet ronddwalen, dan voelde zijn lijf akkers groot, opgezwollen, zijn armen waren lang genoeg om de hele planeet te omarmen, zijn handen alleen al wogen meer dan het Chrysler Building dat hij twintig jaar eerder vanuit zijn ouders’ huis aan Central Park gebouwd had zien worden—Maar het bewustzijn dat deze vervormingen waarnam en dat – conventioneel gesproken – verantwoordelijk was voor de aansturing van dat continent van vlees, was een eenzame knikker in een woestijn van zwart zand, een bijna opgebrande lucifer in een glazen potje op de bodem van de zee. Overeind komen was onmogelijk, onmogelijker nog dan na een dionyisische dranknacht die je schedel met grind heeft gevuld. Rascolcilly lag daar dan verlamd in bed, zijn ledematen te zwaar, te groot, te gevaarlijk. Paniek steeg door zijn gigantische keel omhoog (zijn keel waar zes metrostellen, gebundeld als kogels in de cilinder van een revolver, doorheen konden denderen zonder de zachte zijden te raken) en een jammerende kreun perste zich met moeite door zijn lippen (de onderlip en bovenlip zo groot als blauwe visvissen), maar er was niemand die hem zou kunnen helpen, geruststellen, vasthouden tot hij in slaap viel. Hij woonde altijd alleen en sliep altijd slecht. Pillen hielpen, soms.
Henry S.I. Rascolcilly’s ouders komen aan het begin van de twintigste eeuw uit Finland naar Amerika, op zoek naar iets dat ze zelf niet goed zouden kunnen formuleren, als iemand ernaar zou vragen. ‘Anders,’ zou zijn moeder, kind van een terminaal melancholische predikant, misschien zeggen—‘Meer,’ antwoordt zijn vader, zesde telg uit een straatarm boerengezin, wellicht. Anders en meer zijn zeker geen slechte redenen voor omwoelende levenskeuzes, ze zijn vaag genoeg om altijd nastreefbaar te blijven.
De immigratiebeambte op Ellis Island wenkt Henry’s vader naar de balie. ‘Naam.’ De beambte en zijn collega’s zullen vandaag circa vijfduizend binnenkomers ontvangen, ondervragen, inspecteren en door- of terugsturen (en dat is als ze geluk hebben, vijfduizend is een aardig kalme dag: deze ambtenaar zal ook ingeroosterd zijn als op 17 april 1907 meer dan elfduizend mensen arriveren en het aantal flauwgevallen vrouwen het aantal vermoeide vuistgevechten maar net voorbij zal streven). ‘Naam,’ zegt hij kortaf.
‘Raskankieli,’ mompelt Henry’s vader, die geen Engels spreekt maar hij kent de staties van deze utopische kruisweg, en in een eindeloos herhaald en uitgekauwd ritueel van lawaai en ongeduld noteert de beambte, wiens eigen naam ons niet bekend is, “Rascolcilly” op het formulier, een non-naam in elke taal. Henry’s vader ziet de fout en wijst Henry’s moeder er fluisterend op – Zo heten we helemaal niet, hoe maken we dat duidelijk als we de taal niet machtig zijn? – maar Henry’s moeder wil anders, ze wil opnieuw beginnen met deze klucht die het Leven heet en waar ze tot dan toe alleen bitterheid en tedium van heeft geproefd, en als dezelfde beambte om haar naam vraagt wijst ze op het formulier van haar echtgenoot en spreekt verrassend vloeiend haar nieuwe achternaam uit: ‘Rascolcilly.’ Henry’s vader begrijpt haar ineens en pakt zijn papieren stevig vast: hij heeft nu een naam die niemand op aarde heeft, hij is losgeweekt van de natte grond en de natte lucht, hij is vrij. Hij heeft zijn meer.
Henry’s vader wil de hand van zijn vrouw pakken, zijn vingers vlinderen al naar haar toe, maar hij bedwingt zich net op tijd: dat doet men niet in het openbaar. Henry’s moeder is moe en steunt op de elleboog van haar man. Samen lopen ze het gebouw uit. Kleine momenten, ja: kleine toevalligheden en spontane beslissingen: twee mensen die niks hebben worden in een nieuw land stinkend rijk, en een naam die nooit bestaan heeft wordt een gemeenplaats in de medische geschiedenis.
Henry zou later beweren dat zijn achternaam een bewust verzinsel was, afgeleid van Dostojevski’s Raskolnikov.
Iets meer dan drie decennia na de Amerikanisering van zijn ouders wilde Henry Rascolcilly maar één ding: minder, nee, twee dingen: minder en hetzelfde. Hij wilde krimpen en met zichzelf samenvallen. Zijn nachten waren samengesmolten met zijn dagen, de nacht duurde een etmaal en had geen begin of einde meer. Hij kon niet slapen omdat zijn lichaam monsterlijk voelde, en hoe minder hij sliep hoe meer hij van zijn lijf vervreemd raakte. In de terminologie van Edmund Husserl leed Rascolcilly aan een ontkoppeling tussen het Körper – het lichaam als fysiek object – en het Leib: het lichaam zoals men dat zelf ervaart. De onthechting werd steeds ondraaglijker: als hij half-wanhopig toch maar weer in bed was gaan liggen, dwaalde zijn bewustzijn door de gangen van zijn aderen en voelde hij hoe zijn armen en benen zich uitstrekten tot ver buiten Laval Manor, het landhuis dat hij van zijn ouders had geërfd. Overdag, als hij door de hallen van dat huis dwaalde, begreep hij nauwelijks dat hij dit lichaam bewoonde, deze strompelende bal zachte roze klei, en hij begon zijn eigen blik in de spiegel te ontwijken. Spiegels zijn de ultieme anti-ramen: je kijkt nergens naartoe, de blik wordt naar binnen gedwongen.
In de jaren veertig liet hij zich door talloze specialisten en charlatans bezoeken op zijn landgoed in Oneida County, maar geen enkele behandeling werkte. In een boek over menselijke anatomie las hij dat wetenschappers schatten dat maar tien procent van ons lichaam Homo Sapiens is—de rest bestaat uit microben, die het vast hilarisch vinden dat wij denken dat wij het relevante onderdeel van dit superorganisme zijn. Verrassend genoeg maakte dit Henry’s dilemma niet veel nijpender: diep weggezonken in een leren fauteuil verzuchtte hij juist met een verslagen ‘Zie je wel …’—hij was een kleine aanwezigheid in een groter “iets” waar hij weinig over te zeggen had.
Wat zijn leed of in elk geval zijn ergernis verscherpte, was dat geen van zijn vrienden begreep waar hij zich zo druk over maakte. ‘Dan slaap je toch gewoon in dat veel te grote lichaam,’ zei iemand.
‘Ik begrijp,’ zei Rascolcilly, ‘dat het een weinig pertinent probleem lijkt, maar dat is het geval met de meeste dilemma’s waar men niet persoonlijk onder te lijden heeft. Geloof mij alsjeblieft als ik zeg dat er voor mij niets dringender is dat déze kwestie, en dat ik zal triomferen of zal sterven. Een derde weg is er niet.’
Kort na zijn drieëndertigste verjaardag besluit Rascolcilly dat hij deze marteling niet meer aankan: er zal niets aan zijn situatie veranderen als hij het niet verandert, dus moet hij zijn benadering radicaliseren: geen medicijnen of meditatie meer, geen therapie of trainingen, geen hypnose of handoplegging. (Koudwaterbaden diëten cornflakes zonder suiker niet masturberen wel klysma’s veel klysma’s ja bijzonder veel klysma’s waar is dat goed voor? frisseluchtkuren in bergachtige gebieden net Thomas Mann en dan de andere kant op naar zeeniveau om zoute wind te ademen ingegraven in curatieve klei ingegraven in hete handdoeken ingegraven in kloosterachtige stilte in Australië raadt een dokter reumapatiënten aan om in het karkas van een walvis te gaan staan omdat de rottingsgassen goed zijn voor de gewrichten al deze gezondheidszorg wordt je dood nog ‘s.)
Niks meer van dat alles!, Rascolcilly moet – in zijn eigen woorden – ‘volledig mens worden,’ en ‘wat de mensheid sterker karakteriseert dan wat dan ook, is haar vermogen haar omgeving naar haar hand te zetten.’ (The Body Vanquished: The Letters and Journals of Henry Rascolcilly (Bristol: Mara & Mahon Quipp Publications, 1999). 164 [vert. auteur].)
Rascolcilly’s eerste poging zijn habitat vorm te geven was – wederom in zijn eigen woorden – de ‘castratie van dit gevoel van ongebreideldheid [“unbridledness”] door de fysieke waarneming van de ruimte weer proportioneel en daarmee natuurlijk te maken.’ Omdat zijn lichaam veel te groot voelde, een gevoel, overigens, dat niet zeldzaam is, maar het komt doorgaans alleen bij kinderen voor, psychologen noemen het “macropsia” of “macrosomatognosia”, omdat zijn lichaam veel te groot voelde moest zijn zintuiglijke ervaring ingeperkt worden.
Hij liet een klein leger timmermannen, meubelmakers en verhuizers aantreden om het landhuis onder handen te nemen. Het resultaat was op zijn minst surrealistisch te noemen: op het grote hemelbed lag nu een klein eenpersoonsmatras, aan de enorme eettafel stond nog maar één stoel, de poten van de tafel in de bibliotheek werden tot stompjes afgeschuurd en alle kasten werden vervangen door heuphoge alternatieven—de boeken die niet meer pasten verdwenen naar de zolder. De dure flessen in de wijnkelder bleven liggen waren ze waren, maar Rascolcilly dronk zijn rood nu langzaam nippend uit shotglaasjes. Zijn in kwarten geserveerde biefstuk at hij met een gebaksvorkje.
Van een grote foto van Rascolcilly met een groep vrienden, een foto die eerst als een klassiek schilderij in een grote, gouden lijst hing, liet hij driekwart afsnijden, waardoor de vrolijke zwartwithoofden onhandig bovenin de lijst hingen en leken te verdrinken in een stijgende vloed van stucwerk. Deze foto uit 1930 of ‘31 – tegenwoordig achter glas te bekijken in de archieven van het Museum of Modern Art (object nr. 621.1973) – is een heuse Wie-Is-Wie van de internationale kunstwereld van het interbellum, vol schrijvers, schilders en acteurs. Rascolcilly kocht veel kunst van toonaangevende handelaars zoals Julien Levy en de Hugo Gallery, en hij doneerde grote sommen geld aan bijzondere kunstprojecten, of om de gedwongen hongerkunstenaars van Manhattan in leven te houden. Op de mishandelde foto zien we Breton, Carrington en een vrouw die Varo zijn kunnen zijn, Martisch-Frenghof, Duchamp, Kay Sage, de ‘kunstmonnik’ Joseph Cornell en vele andere grote namen, alsook een paar gezichten die we niet kunnen identificeren, het meest fascinerende is dat van een erg magere, lange vrouw die haar wangen met pasfoto’s of postzegels versierd lijkt te hebben.
De verbouwing van het interieur had uiteindelijk de tegenovergestelde uitwerking: Rascolcilly voelde zich groter dan ooit en ‘s nachts verkende hij tandenknarsend en verlamd het alleen maar nog onmetelijkere landschap van zijn lijf. Hij begon te vermoeden dat zijn huis zelf domweg te groot was voor iemand alleen. Eerst nodigde hij vervreemde kennissen en allerlei onbekenden uit om het pand en de omringende terreinen met vlees en beweging te vullen, en hij liep tussen ze door in de hoop dat hun normale dimensies aanstekelijk zouden zijn. De drukte was onduldbaar. Hij stuurde iedereen weg en liet het huis kleiner maken, waardoor het groter werd: alle zalen en kamers werd door houten wandjes in tweeën of in vieren gedeeld, en zelfs de gangen en portalen werden met schotten gehalveerd. Toen dat even leek te helpen liet Rascolcilly met veel timmer- en metselwerk in alle ruimtes extra vloeren inbouwen, zodat de verdiepingen ook horizontaal doormidden werden gesneden. Het voorheen al grote pand herbergde nu meer (zeer kleine) kamers dan een heel huizenblok en het was een onleefbare letterbak geworden, niets minder dan een architectonische onmogelijkheid. Het absurde labyrint, dat van het prachtige landhuis een ruïne maakte, inspireerde later diverse films, zoals het bekende Being John Malkovich (1999) en de korte Japanse film De beul doet u de hartelijke groeten (1987).
Rascolcilly bewoog zich op handen en voeten door zijn woning, maar afgezien van veel schaafwonden leverde ook deze afbraak hem niks op.
Op aanraden van de familiedokter (die ook Henry’s ouders in bezeten dwaasheid weg had zien zinken – een ander verhaal waar we hier geen tijd voor hebben – en weinig hoop had dat hij de zoon zou kunnen redden) verkocht Rascolcilly het landgoed. Hij kreeg er een habbekrats voor, niemand wilde in het spiegelloze spiegelpaleis wonen van de rijkaard die het idee van excentriciteit eigenhandig van alle luister had ontdaan: Laat ons maar saai en gezond zijn.
Rascolcilly huurde een schandalig hol in een woonkazerne aan 7 Cassetti Street in Queens, New York. Het was een smalle straat, de smalste die hij kon vinden, een steeg eigenlijk, tussen Utopia Parkway en 180th, ter hoogte van Crocheron Avenue. De Tsjechisch-Spaanse toneelschrijver en criticus Alberto Kosterwing beschrijft deze belachelijke woning in “Wijlen Henry Rascolcilly,” een essayistisch rouwbericht dat ongeveer een jaar na Rascolcilly’s dood werd gepubliceerd (Kosterwing was lang met onze arme lijder bevriend en onderhield ook in latere jaren nog onregelmatig contact met hem):
‘Mister Rascolcilly?’
‘Derde verdieping, als je durft’Dit antwoord van de vrouw die druk was het trappenhuis te schrobben verblufte me, en in de eerste instantie hield ik haar voor brutaal. Zodra ik echter Rassy’s woning betrad, begreep ik waar zij op doelde. Dit was de spelonk van een krankzinnige, een labyrint waarin Theseus met grijze baard ronddwaalt en zich niet kan herinneren dat de minotaurus al lang geveld is. Net als in Laval Manor was het plafond hier buitengewoon laag. Het was niet Rassy die opdracht had gegeven het pand doormidden te snijden – daar had de kwaadaardige huisbaas voor gezorgd –, maar de geplaagde huurder had de woning welzeker hierom uitgekozen. Tekenen van zijn manie, die nooit aflatende donkere hond die hem nu al jaren achterna zat, waren overal zichtbaar. In feite bevonden zich hier uitsluitend inperkingen, bekortingen, reducties, miniaturen—uw schrijver zoekt naar de juiste term voor de bezeten grillen waarmee de arme man zich omringde.
Hoe klein de woning ook was, zij bestond wel uit de volledige set kamers van een doorsnee appartement: een zeer smalle, lage hal verbond een micro-woonkamer, een minuscuul keukentje, een miezerige badkamer en een schamel slaapvertrek, waar twee bedden strak in het gelid tegen de klamme wanden en tegen elkaar duwden, met nauwelijks ruimte voor drie vingers ertussen. Het ene bed was het smalste volwassen ledikant dat Rassy had kunnen vinden; het ander was een kinderbed, voor een tienjarige, zou ik zeggen. De geplaagde bewoner trainde zichzelf om opgevouwen als een verstekeling op het kleine matras te slapen, en hij vertelde mij trots (en hologig): “Ik ben er zeker van dat ik het andere bed nog deze maand weg zal kunnen doen.”
Het voelde alsof ik mij in een poppenhuis bevond. Nee, in iemands verwarde brein. Ik was een toevallige voorbijganger en onwillige gevangene in de nachtmerrie van iemand wiens eerdere dromen slechts een voorspel van zijn naderende waanzin waren geweest.
Rascolcilly at nu op een klapstoeltje aan een uitklapbaar tafeltje. Zijn brieven schreef hij staand (bukkend, vanwege het plafond) aan een plankje dat als schrijftafel aan de muur was geschroefd. Zelfs zijn bibliotheek was volledig ingeperkt, ingekookt: in een klein, gammel kastje stonden uitsluitend bloemlezingen, een beschimmeld woordenboek en een verouderde, notoir onnauwkeurige encyclopedie waar ook nog eens meerdere volumes uit ontbraken. In de gang hing nog altijd dat gereduceerde groepsportret, maar Rascolcilly had de lijst weggegooid—de bungelende hoofden, met hun hoeden en snorren en paarlen kettingen, leken nu op te doemen uit de mist, niet uit een mist van wolken en smog, maar uit de nevelen van de geschiedenis, of misschien de toekomst: ze verschenen uit het vergetene en brachten verschrikkelijke tijdingen met zich mee voordat ze naar het onkenbare verder trokken.
We aarzelen om over Rascolcilly’s laatste jaren te vertellen. Hoe te spreken over een zege die voor ons – kleinburgerlijk, lekker opgewarmd en met een volle buik – een absoluut verlies lijkt? Hij ging zichzelf inkorten. Ondanks Kosterwings benadrukking van zijn “manie” en “waanzin” kunnen we Rascolcilly tot op dit punt in zijn leven, weggemoffeld in een absurde flat in Queens, nog net zonderling of eigenaardig noemen. Wat volgt is luguber, en absoluut niet vermakelijk. Laten we het daarom zo veel mogelijk bij de kale feiten houden. In 1953 had Henry Rascolcilly, die zichzelf ook met zijn nieuwe woning niet had weten te genezen (het was allemaal voor niets geweest), zijn laatste en meest cruciale openbaring. In een tijdschrift dat hij in het vuilnis had gevonden las hij over een hagedis die aan roofdieren ontkwam door zijn staart af te werpen en te vluchten terwijl zijn vijanden druk waren deze gratis lekkernij te verorberen. Wij weten allemaal van dit diertje en zijn verschijning in een verhaal is een slaapverwekkend cliché geworden, maar Rascolcilly had er nog nooit van gehoord, en hij wist ineens wat hem te doen stond. Nu het bedwingen van zijn leefomgeving niet de gewenste resultaten had gehad, begon hij zijn nog altijd aanzienlijke financiële middelen aan te wenden om dokters over te halen zijn ledematen te amputeren. Hij leed aan fantoompijn over zijn hele lichaam en er restte hem geen andere uitweg. Het begon met een vinger aan iedere hand, toen een stuk vlees uit zijn dij, daarna – in hoog tempo – een oor, nog een vinger, een brok schouder en alle tenen van een van zijn voeten. En wonder der wonderen: het werkte. Snee voor snee begon zijn lichamelijke ervaring weer overeen te stemmen met het lijf dat hij bezat—verminkt, volgens de conventionele opvattingen van zijn en onze tijd, maar Rascolcilly had andermans meningen, en vooral de fijngevoeligheden van de bourgeoisie, nooit bijzonder interessant gevonden. Hij dwaalde ‘s nachts niet langer door zijn monsterlijke lichaam zoals een verlegen weeskind door een verlaten pretpark maar sliep uren en uren ongestoord door, en dat was het enige dat telde.
Hoe meer hij liet amputeren, hoe meer hij met zichzelf samenviel. ‘Een triomf van volharding en de medische wetenschap, zeker, maar toch valt het me moeilijk blij voor hem te zijn,’ schrijft Kosterwing in voorgenoemd rouwbericht.
Rascolcilly’s linkerarm verdween bijna gelijktijdig met zijn rechter onderbeen. Hij liet een paar ribben weghalen. Hij sliep beter dan ooit en voelde zich als schipbreukeling van een onbewoond eiland gered. Een oog verdween, toen zijn hele linkervoet. Hij kocht een elektrische rolstoel van Everest & Jenning en bewoog zich weer onder de mensen, sturend met zijn enige arm. Hoe meer zijn lichaam kromp, hoe meer zijn vreugde groeide. In de laatste jaren van zijn leven was hij gelukkiger dan hij ooit was geweest: hij was eindelijk minder en hij was eindelijk volledig zichzelf.
Eind 1959 liep Henry Rascolcilly tijdens een tandartsbezoek endocarditis op, een bacteriële ontsteking die de hartkleppen treft en die toentertijd slechts zelden gediagnosticeerd kon worden. Hij stierf een paar weken later. De vrienden die zich over zijn begrafenis ontfermden kochten een normale doodskist voor hem, waar hij makkelijk twee keer in had gepast. Laten we hopen dat hij zich er klein in voelde—of precies groot genoeg.
––––––––––––
* Noot van de auteur: De S. en de I. stonden nergens voor, hij vond het gewoon mooi om extra initialen tussen zijn namen te plakken, een raadsel zonder oplossing om zijn wezen open te breken.
Christiaans aanbevelingen
Culturele uitingen waar ik op het moment door gefascineerd ben óf die ik al jarenlang geweldig vind.
‘In de breedste zin is literatuur bovenal een schatkamer van gezichtspunten van anderen,’ schrijft Olga Tokarczuk, ‘wereldbeelden gefilterd door de unieke geest van ieder individu.’1 Literatuur is de letterlijkste manier waarop we kunnen diepmijnen in de hoofden van andere mensen, zelfs als die mensen niet bestaan hebben en de erts en opalen die we boventillen verkeerd begrepen worden. (Verkeerd begrepen worden is essentieel, anders zouden we nooit goed gaan opletten.) Dit is waarom filosofie een kreupele abstractie wordt als de filosoof zich niet onderdompelt in fictie, in literatuur in het bijzonder, als ze zeggen Ik lees alleen nonfictie, want zonder die kennismaking met de binnenkant van andermans gezichtspunten, met alleen al het naakte feit dat ieder mens een eigen subjectiviteit heeft, kunnen we nooit zelfs ook maar beginnen te begrijpen wat mensen bezighoudt. Fictie is wel een ‘moreel laboratorium’ genoemd,2 hypothetische scenario’s waardoor we de wereld van een ander kunnen bewonen: zonder fictie krijgen we geen enkele grip op allerlei dingen waar empathie en een opschorting van oordeel nodig zijn: eenzaamheid, obsessie, onvermogen, waarom mensen anderen pijn doen en waarom ze zichzelf pijn doen, van wanen en angsten en de verwarrende overlap of juist spanning tussen wat het individu waarneemt en wat het collectief waarneemt.
Verbeelding en in het bijzonder taal zijn essentieel, en hoe ernstig ofwel het leven ofwel de filosofie lijken, zonder verbeelding, kunst, fictie werkt het allemaal niet, zoals Georges Perec ook schrijft:
Literatuur is een activiteit die niet losstaat van het leven. We leven in een wereld van woorden, van taal, van verhalen. Literatuur is onlosmakelijk met het leven verbonden: het noodzakelijke verlengstuk van de ervaring, de vanzelfsprekende uitkomst ervan, de onontbeerlijke aanvulling erop.3
De ervaring van het leven moet door literatuur gefilterd worden, zegt Perec, om gekauwd en besnuffeld en bekeken en uiteindelijk (hopelijk) beter begrepen te worden. En omgekeerd leidt het beleven van literatuur tot bepaalde, anders niet toegankelijke ervaringen: het dwarsverband tussen literatuur en ervaring ‘maakt een verbinding mogelijk van het fragmentarische en het omvattende, een overgang van het anekdotische naar het historische.’ Dit inzicht – dat we niet alleen ervaringen kunnen begrijpen door literaire verbeelding, maar dat literaire verbeelding op zichzelf een nieuwe ervaring is – staat ongenoemd centraal in Pioniers van Jeroen van Rooij.
Van Rooijs nieuwe roman noemt al deze hoge idealen niet, spreekt niet over filosofieën en ethiek, niet over de mensheid in het algemeen. Maar Pioniers raakt wel aan die schijnbare paradoxale functie van literatuur waar Perec het over heeft: de relatie tussen het anekdotische en het algemene, het idee dat het verbeelden van de allerindividueelste beleving ons zo veel kan zeggen over het leven van iedereen. Soms omdat we het precies herkennen (Hé, zo denk ik ook!), soms juist omdat het helemaal nieuw is (Hè, denken mensen zo?).
Op de flap van de roman staat dat de schrijver ‘het gereedschap van een sciencefictionauteur [gebruikt] om een realistische roman te maken.’ Die beschrijving moet gericht zijn op aarzelende snuffelaars die het boek in de winkel ter hand nemen en van de plotbeschrijving het idee krijgen dat het boek nergens over gaat, want dat gereedschap zien we niet terug zoals we het wellicht verwachten. Waar die pochende flap op doelt, is dat de verteller van de roman heel nonspannende, onenerverende dingen beschrijft met de afstandelijke observatie van een buitenaards wezen, zoals een bioloog een nest ratten zou bekijken.
En dit levert een prachtig boek op met observaties en beschrijvingen van mensen die we alleen leren kennen door hun handelingen, hun bewegingen, en door flarden van gedachten: de personages krijgen geen namen, er vinden haast geen dialogen plaats, niemand krijgt een jeugd of een toekomst, het heden is alles dat er is, en hun gedachten worden beschreven alsof het onbekende objecten zijn die aan draadjes in een verduisterde ruimte hangen—nieuwsgierig maar niet betrokken, en zonder enig oordeel, enige invulling, enige symboliek. Zo gaat een jong meisje ’s nachts naar de wc:
Ze stond stil; als ze bewogen had, was ze gevallen. Alles wat ze wist over de grootte van het universum slokte haar op. Ze was kleiner dan een atoom. Rechts van haar bevond zich het heelal. Het bewoog zich langzaam naar haar toe; het had haar al aangeraakt bij haar elleboog.
Zinnen als deze laten je in kippenvel uitbarsten door hun creativiteit en vooral door hun inzicht in of waarneming van hoe gedachten werken, zeker bij kinderen: ‘Rechts van haar bevond zich het heelal’—alleen iemand die heel goed waarneemt kan zo’n zin produceren, kan dit gevoel benaderen en dan zo secuur, haast afstandelijk noteren. Geen uitleg of interpretatie van wat dit moet betekenen, waar dit gevoel vandaan komt en wat het zegt over de persoonlijkheid van het meisje. We observeren mee, we zijn een camera die door gewone levens zweeft en waarneemt hoe knettergek het is om te bestaan.
Een absolute alledaagsheid op vervreemdende manieren beschreven—dat is de kern van Pioniers. De vervreemding wordt niet gebruikt om te zeggen dat we verkeerd bezig zijn of dat het leven anders zou moeten, nee, wederom: in dit verteluniversum bestaat het oordeel niet, alleen de waarneming van het individueel menselijke dat universeel menselijk wordt, en Van Rooij wil laten zien dat zelfs de meest banale, “normale” dingen bestaan uit vreemde gebruiken en rituelen, vreemde verwachtingen en automatismen en aannames.
De vrouw las een boek en nam zich voor om niet te vergeten hoe het afliep.
Eenvoudig en scherp, herkenbaar en vreemd.
De afstandelijke verteltoon van de roman laat uiteindelijk meer ruimte voor empathie dan een emotionele, meelevende verteller zou hebben gedaan. Ik vermoed dat Van Rooij bekend is met Agustín Fernández Mallo: Van Rooijs vertelstem, die ietwat melancholische maar ook kale vertelstem, én natuurlijk de fragmentarische ordeloze ordening van de scènes, doen sterk denken aan de Nocilla-trilogie, zelfs als de boeken in ieder ander opzicht van elkaar verschillen. In de verte doen de toon en de heldere, soms kille blik op het alledaagse ook denken aan Claire-Louise Bennet en aan het beste van Joy Williams, met name The Quick and the Dead (2000), het boek waardoor ik álles van Joy Williams wilde lezen, en Concerning the Future of Souls (2024), al is de geniale Williams beduidend nihilistischer en zelfs pessimistischer dan Van Rooij. Wreder, ze is wreder, onbarmhartiger—of nog eerlijker.
De eerdere romans van Van Rooij – De eerste hond in de ruimte (2010) en Het licht (2012) – waren al goed, maar met Pioniers heeft hij iets nieuws bereikt in het Nederlandstalige veld, iets uitzonderlijks. Een literatuur die intens gevoelig is en ‘een schatkamer van gezichtspunten van anderen’ laat zien, zonder sentimenteel te worden of wijsheden door de strot van de lezer te duwen én zonder wreed of emotieloos te zijn. Hier worden ervaringen gefilterd door literatuur en biedt de literatuur nieuwe ervaringen.
Jeroen van Rooij. Pioniers. Gent: Het Balanseer, 2024 [o.a. op de website van de uitgever en bij Boekwinkeltjes]
Bedankt voor het lezen! De volgende EKRITUUR verschijnt op 14 februari en de vorige edities zijn te lezen in het Archief.
Olga Tokarczuk. “Ognosie,” 28. in: De tedere verteller. Essays. vert. Charlotte Pothuizen & Dirk Zijlstra (Amsterdam: De Geus, 2023 [2020]). 7-29.
Frank Hakemulder. The Moral Laboratory. Experiments examining the effects of reading literature on social perception and moral self-concept. Amsterdam: John Benjamins, 2000.
Georges Perec. “Robert Antelme of de waarheid van de literatuur” (1963) 112. vert. Rokus Hofstede, in: Driemaandelijks tijdschrift van de Auschwitz Stichting Nr. 80-81 (2003). 111-21.




